De zegswijze ‘iemand van het bed op het stro helpen’ is in onze streken wijdverspreid. Ze is te linken aan rituelen die met de eindigheid van ons bestaan te maken hebben. In figuurlijke zin betekent ze dat iemand door eigen toedoen of dat van een ander van de regen in de drup sukkelt.
Er is een tijd geweest dat de zegswijze slechts een letterlijke betekenis had: een overledene van zijn of haar sterfbed op vers stro ‘afleggen’. Dat was een kwestie van hygiëne. Door het ‘afleggen’ op stro werd vermeden dat lijkvocht in het beddengoed of het hout van de kist trok. Maar ook bijgeloof zou een rol hebben gespeeld.
Werd het bedlinnen met lijkvocht besmeurd, dan zou, zo was de gedachte, de ‘dode ziel’ zich aan het bed hechten en zou de slaapplek voor een ander onbruikbaar worden. Met lijkvocht besmeurd stro werd overigens zo snel mogelijk verbrand.
Toen begrafenisrituelen evolueerden, bleef het gebruik van stro, zij het in aangepaste vorm, bestaan. Families die het minder breed hadden, vervoerden de overledene met paard en een eenvoudige boerenkar naar de kerk. In bepaalde streken was het daarbij gebruikelijk om drie strobundels onder de kist te leggen. Op de hobbelige zandwegen zorgden die allicht ook voor enige schokdemping. Op een vaste plek hield de rouwstoet halt. Daar werden de bundels van onder de kist gehaald en verbrand of gewoon achtergelaten om te vergaan. Tot in de 20ste eeuw bleef dat gebruik bestaan.
Al ruim vijf eeuwen geleden stond stro bij overlijdens symbool voor de menselijke vergankelijkheid. De laatste vier regels van een bewaard gebleven religieus lied uit die tijd luiden:
Een kistje met een strooien band,
Zo gaan we samen naar het andere land.
In 't andere land is het beter dan hier.
Daar zingen de engelen van tierelierelier.
De strooien band waar de anonieme bedenker het over heeft, werd als symbool voor de menselijke vergankelijkheid rond de kist geknoopt.
Van de vier liedregels hierboven is op het internet onder de titel Lijkstro een andere versie terug te vinden. Volgens de bijbehorende uitleg zou die te linken zijn aan een oud Zeeuws gebruik om doden in lichte, met stro beklede bootjes te leggen, ze een eind de zee op te roeien en daar in brand te steken.
Iets vergelijkbaars, maar dan veel spectaculairder, zie je in de allerlaatste scène van de film First Knight (1995). Na een groots gevecht met zijn aartsvijand Malagant overlijdt koning Arthur (gespeeld door Sean Connery) aan zijn verwondingen. Zijn lichaam wordt op een brandstapel op een majestueus vlot opgebaard. Langzaam drijft het vlot het water op. Als het op een respectabele afstand van de oever is, schiet Lancelot, Arthurs favoriete ridder (vertolkt door Richard Gere), feilloos (uiteraard...) een brandende pijl naar het vlot. Die ontsteekt de brandstapel waarop Arthur opgebaard ligt.
Leuk en aardig allebei, dat wel, maar evenzeer jammer en helaas. Een sober Zeeuws gebruik en een spectaculaire Hollywoodscène? Allebei mythes, verhalen waarvoor geen harde historische bewijzen bestaan. Ze lijken bovendien allebei voort te komen uit de mythe dat de Vikingen hun overleden leiders op een boot opbaarden, waarna dat schip op zee met brandende pijlen in brand werd geschoten.
Maar verzonnen of niet, ontspannen, Bierchen oder Weinchen dabei, doen dit soort verhalen en films ons bij tijd en wijle uiteindelijk wel.
Jef Vanbussel
Foto hierboven: Begrafenis met paard en boerenkar, een oud gebruik in een stijlvol nieuw jasje.
(Foto: eenstijlvolleuitvaart.nl)
Bronnen: Heemkundekring Heel, Wikipedia en Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.