Johan Put kon dit liefdestafereel van de grauwe klauwier vastleggen in de vallei van de Zwarte Beek: Het vrouwke zit eerst alleen. Dan komt het mannetje aangevlogen en geeft haar wat insecten te eten, waarna hij op het paaltje naast de draad gaat zitten. Dit is zijn geliefde plaats om op te zitten in een weide of aan de rand ervan.
De grauwe klauwier is een middelgrote zangvogel met lange staart en stevige zwarte haaksnavel. Volwassen mannetjes hebben een grijze kop met een zwart masker. De onderdelen zijn lichtroze met een witte keel. Bovendelen zijn kastanjebruin. Vrouwtjes zijn minder opvallend getekend, met grof schubpatroon op de lichte onderdelen. De bovendelen zijn oranjebruin. Het grijs op de kop is wat bruinig en de oogstreep is bruin, evenals de staart.
Ze verblijven en broeden meestal op een plaats met veel open ruimte met ook wat struiken in de buurt die niet te groot zijn om in te broeden.