De uitbater van een woonzorgcentrum eiste voor de rechtbank dat de broer van een overleden bewoner de nog openstaande rekeningen voor verzorging en verblijf betaalde. Terecht, vond de rechtbank, want de broer had zich alle goederen uit de assistentiewoning toegeëigend en op die manier de erfenis van zijn broer stilzwijgend aanvaard. En dus ook alle schulden.
De broer, die ook mantelzorger van de overledene was, nam daar geen genoegen mee en er volgde een nieuw proces voor het hof van beroep in Antwerpen. Het hof stelde vast dat de broer de persoonlijke spullen, kledij en toiletgerief had opgeruimd. Ook bed, meubilair en laptop waren weg, maar volgens het hof waren die waarschijnlijk geen eigendom van de overledene. Logischer was, aldus het hof, dat de broer als mantelzorger die spullen aan hem had uitgeleend.
Verder bleek uit allerlei documenten dat het de achtergebleven broer was die een en ander had aangekocht en laten leveren. Hij was het ook die de scootermobiel had geleend voor zijn broer, die slecht ter been was.
De stelregel van het hof luidde dat een erfgenaam die een huurpand, ziekenhuiskamer of rusthuiskamer vrijmaakt, daarom niet automatisch de nalatenschap met alle schulden aanvaardt. Mogelijk vermijdt die erfgenaam daarmee zelfs dat er schulden bijkomen of goederen verloren gaan.
Het was trouwens de uitbater van het woonzorgcentrum zelf die de broer-mantelzorger had gecontacteerd om de kamer vrij te maken, alle papieren in orde te brengen en een plaatsbeschrijving te ondertekenen. Het hof sprak van een uitgelokte ondertekening.
Van een stilzwijgende aanvaarding van de nalatenschap, inclusief alle schulden, was dus geen sprake, besloot het hof. Zo mocht de zorgende broer zes jaar na het overlijden via justitie vernemen dat hij niet hoefde te betalen voor zijn broer.
– Wie het ernstigst tracht eerlijk te zijn, wordt het meest gewantrouwd. – Koos J. Versteeg
Jan Bouly, advocaat