Elk jaar op 21 juli schrijden de koninklijke familie, ministers en hoogwaardigheidsbekleders de trappen van de Brusselse kathedraal op voor een plechtige ceremonie: het Te Deum. Het is een van de vaste ankers van onze Nationale Feestdag.
De tekst van het Te Deum – Te Deum laudamus, oftewel U, o God, loven wij – stamt al uit de 4de eeuw. In de context van de nationale feestdag heeft het een dubbele lading: het is een moment van dankbaarheid voor de eendracht van het land, het behoud van de vrede en de gezondheid van het staatshoofd.
Het Te Deum wordt in ons land (minstens) tweemaal per jaar gevierd: ter gelegenheid van de Nationale Feestdag op 21 juli en op Koningsdag, 15 november. De koning, de koningin en hun kinderen zelf zijn op 15 november nooit aanwezig, omdat de traditie wil dat ze zichzelf niet vieren.
Hoewel we op 21 juli de eedaflegging van Leopold I (in 1831) vieren, gaat het zingen van een Te Deum bij grote staatsevenementen veel verder terug.
Al in de middeleeuwen lieten vorsten een Te Deum aanheffen na een gewonnen veldslag, een geboorte in de koninklijke familie of een troonsbestijging.
Het Te Deum ontstond als een ceremonie die de verwevenheid van Kerk en Staat uitdrukt. Sinds de scheiding tussen Kerk en Staat, kan zo’n kerkelijke viering louter een restant van een culturele traditie lijken. Maar je kan het ook zien als een kans om verbinding en engagement te vieren met en voor burgers van diverse gezindten en de overheden.
Door de eeuwen heen hebben de grootste componisten ter wereld zich uitgeleefd op de tekst van het Te Deum. Een van hen is Marc-Antoine Charpentier. De prelude van zijn hymne is al decennialang de officiële melodie van de European Broadcasting Union (EBU). Het vrolijke trompetdeuntje vlak voor het Eurovisiesongfestival is eigenlijk een barokke lofzang voor God. (Bron Otheo)