In 2025 had 7,8% van de werknemers van 20 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest een tijdelijk arbeidscontract. Vrouwelijke werknemers werken iets vaker dan hun mannelijke collega’s met een tijdelijk contract. In 2025 had 8,3% van de vrouwelijke werknemers een tijdelijk contract, tegenover 7,4% van de mannelijke werknemers.
Het aandeel werknemers met een tijdelijk contract neemt af met de leeftijd. In 2025 lag dat aandeel duidelijk hoger bij 20- tot 34-jarigen (16,6%). In de oudere leeftijdsgroepen lag het aandeel lager.
Kortgeschoolden zijn vaker aan de slag met een tijdelijk arbeidscontract dan midden- of hooggeschoolden. In 2025 lag het aandeel kortgeschoolde werknemers van 25 tot 64 jaar met een tijdelijk arbeidscontract op 8,3%, tegenover 4,8% bij de middengeschoolden en 5,4% bij de hooggeschoolden.
Opgedeeld naar huishoudpositie lag het aandeel werknemers met een tijdelijk arbeidscontract in 2025 het hoogst bij personen die inwonen bij hun ouders (26,2%) en het laagst bij samenwonende partners met kinderen (5,1%).