In 2025 lag de werkzaamheidsgraad bij de bevolking van 20 tot 64 jaar in het Vlaamse Gewest op 77,3%. Dat betekent dat 77,3% van de 20- tot 64-jarigen in dat jaar arbeid verrichtte. Dat is licht hoger dan in 2024, toen de werkzaamheidsgraad 76,9% bedroeg. De werkzaamheidsgraad is tussen 1999 en 2019 toegenomen van 67,9% tot 75,5%. In 2020 was er een lichte daling tot 74,7%, gevolgd door een stijging in 2021-2022 en een stabilisatie in 2023-2024.
Vorig jaar lag de werkzaamheidsgraad bij mannen op 80,4%. Dat is duidelijk hoger dan bij vrouwen (74,3%). Het verschil in werkzaamheidsgraad tussen mannen en vrouwen kwam daarmee in 2025 op 6,1 procentpunten.
De werkzaamheidsgraad van personen van 55 tot 64 jaar (65,6%) lag in 2025 veel lager dan die van de andere leeftijdsgroepen. De werkzaamheidsgraad van de groep van 35 tot 54 jaar lag met 86,8% het hoogst.
De werkzaamheidsgraad neemt toe naarmate het onderwijsniveau stijgt. De werkzaamheidsgraad bij kortgeschoolden lag in 2025 op 53,0%, tegenover 77,6% bij middengeschoolden en 90,0% bij hooggeschoolden.
Opgedeeld naar huishoudpositie was de werkzaamheidsgraad in 2025 het hoogst bij samenwonende partners met kinderen (87,9%) en het laagst bij personen die inwonen bij de ouders (56,5%).