In zijn boek
De Kanalen in Bocholt blikt
Wim Cuppens terug op een bijna vergeten hoofdstuk uit de geschiedenis van de Zuid-Willemsvaart en het Kempisch Kanaal: dat van de
scheepsjagers. Tot ver in de vorige eeuw werden binnenschepen vanaf het jaagpad voortgetrokken door mensen en later door paarden, voordat stoomsleepboten en gemotoriseerde schepen hun intrede deden. Het boek schetst ook hoe langs de Bocholter sluizen herbergen, schipperslogementen en winkels ontstonden die de binnenschippers van alles voorzagen.
Bijzonder aangrijpend is de getuigenis van de Hasselaar Henri L'Allemand, die in 1892 langs het Kempisch Kanaal fietste. Hij beschreef hoe een hoogzwangere moeder en haar dochter een zwaar schip voorttrokken. "Ze zijn uitgeput, zuchten en steunen, hijgend kortademig", schreef hij, terwijl op de voorsteven een man stond die de vrouwen zwijgend gadesloeg. Het fragment toont hoe zwaar het leven van de scheepsjagers was en vormt een van de meest beklijvende passages uit het boek.