Wat in 1950 begon als een schoenmakerij in Achel, groeide in driekwart eeuw uit tot een begrip in de ruime regio. Orthopedie Martens viert zijn 75-jarig bestaan, en dat jubileum is meer dan een mijlpaal voor een zaak. Het is ook het verhaal van een familie, van ambacht, van doorzetten en vooral van mensen helpen. Luc Martens blikt terug op de geschiedenis van het bedrijf, op het levenswerk van zijn vader Jaak en op zijn eigen parcours, dat hem al op jonge leeftijd in het hart van het vak bracht.
De oorsprong van Orthopedie Martens ligt in
Achel, waar vader Jaak Martens in 1950 begon als schoenmaker en maatschoenmaker. Aanvankelijk was Jaak vooral actief als schoenmaker, maar gaandeweg schoof zijn werk steeds meer op in de richting van orthopedische schoenen. Een sleutelmoment kwam er toen een man uit de streek hem opzocht met een zeer ernstige vraag. Die man moest een voet laten amputeren, maar wilde dat alleen laten doen als Jaak hem nadien weer op de been kon helpen met aangepast schoeisel. “Dat verhaal is mijn vader altijd bijgebleven,” vertelt Luc. “Hij besefte toen dat hij met zijn vak veel meer kon doen dan schoenen maken of herstellen. Hij kon mensen helpen om opnieuw te stappen, om opnieuw vooruit te kunnen.”
Dat besef bracht Jaak ertoe zich verder te specialiseren. Op zijn 42ste trok hij opnieuw naar Brussel om een officiële opleiding te volgen en de erkenning te behalen die nodig was om als orthopedisch schoenmaker te werken. Twee jaar later slaagde hij daarin. “Mijn vader heeft uiteindelijk maar tien jaar echt de basis kunnen leggen van de orthopedische schoenmakerij zoals wij die vandaag kennen,” zegt Luc. “Op zijn 54ste is hij gestorven. Maar in die tien jaar heeft hij wel iets neergezet dat tot vandaag voortleeft.”
Voor Luc Martens kwam de verantwoordelijkheid al zeer vroeg. Hij was pas 19 toen zijn vader overleed. “Ik was toen waarschijnlijk de jongste erkende orthopedisch schoentechnieker van België,” vertelt hij. “Dat is natuurlijk niet iets waar je op die leeftijd van droomt. Je rolt daar dan in, omdat het moet. Maar ik voelde ook wel dat dit mijn weg was.”
Nochtans leek die keuze aanvankelijk niet vanzelfsprekend. Als tiener volgde Luc eerst schrijnwerkerij, maar zware allergieën maakten dat moeilijk vol te houden. “Ik had meer zakdoeken in mijn boekentas dan boeken,” zegt hij lachend. “Dat was toen echt niet meer haalbaar. Dan moest ik een andere richting kiezen.” Hij twijfelde nog even, zelfs een opleiding tot kok passeerde door zijn hoofd, maar uiteindelijk trok het vak van zijn vader hem toch over de streep.
Vanaf zijn veertiende begon Luc het ambacht echt te leren. Dat deed hij niet alleen thuis, maar ook op verschillende plaatsen in België en Nederland. Zo kwam hij in Geel terecht, later in Eindhoven en Amsterdam, waar hij zich verder bekwaamde in het maken van bovenwerken en orthopedisch schoeisel. “Ik heb het geluk gehad dat ik bij heel goede vakmensen heb kunnen leren,” zegt hij. “Als je echt goed wilt worden in iets, moet je niet alleen talent hebben, maar ook bij de besten terechtkomen én bereid zijn hard te werken.”
Die leerschool in Nederland was voor hem van onschatbare waarde. “Daar heb ik niet alleen het technische geleerd, maar ook om voor mezelf op te komen, om keuzes te maken en om verder te kijken dan wat ik al kende. Dat heeft mij als vakman, maar ook als mens mee gevormd.”
Toen Luc terugkeerde naar de zaak van zijn vader, begon hij meteen te vernieuwen. Hij bracht nieuwe technieken binnen, reorganiseerde de werkplaats en nam stap voor stap meer verantwoordelijkheid op zich. “Mijn vader liet dat ook toe,” zegt hij. “Als ik daar nu op terugkijk, vind ik dat nog altijd bijzonder. Veel vaders zouden gezegd hebben: ik weet wel hoe het moet. Maar hij gaf mij ruimte. Dat is een groot cadeau geweest.”
Na het overlijden van zijn vader zette Luc de zaak verder, eerst nog in Achel, later verhuisde de onderneming naar Pelt. Daar bouwde hij Orthopedie Martens verder uit tot wat het vandaag is. In de loop der jaren nam hij ook andere vestigingen over, onder meer in Mol, Brussel en Tongeren. “Op een bepaald moment had ik vier zaken,” vertelt hij. “Ik heb altijd heel hard gewerkt. Zeven dagen op zeven was geen uitzondering. Maar dat hou je natuurlijk niet eindeloos vol.”
Vandaag ligt de nadruk opnieuw volledig op kwaliteit, vakmanschap en persoonlijke begeleiding. En net daarin schuilt volgens Luc ook de grote kracht van een zaak als Orthopedie Martens. “Wij zijn geen fabriek,” zegt hij. “Elk paar schoenen is anders. Elke voet is anders. Soms verschilt links totaal van rechts. Voor iedere klant maak je een paar leesten. Dat is puur maatwerk.”
Die kennis en kunde zijn volgens hem niet te vervangen door een computer. “Er wordt vandaag veel gesproken over scans, 3D-technologie en artificiële intelligentie. Maar uiteindelijk moet iemand nog altijd begrijpen wat hij ziet, en moet iemand nog altijd met zijn handen kunnen maken wat nodig is. Ik maak mijn mallen en leesten nog echt met de hand. Op zicht, op ervaring, op gevoel. Dat is ambacht. Dat is bijna kunst.”
Luc maakt ook een duidelijk onderscheid tussen verschillende begrippen. “Veel mensen spreken over een schoenmaker, maar wat wij doen is maatschoenmakerij. Orthopedisch betekent dat er een medische reden is, een indicatie. Maar de basis blijft hetzelfde: je moet een schoen kunnen maken die perfect past en die doet wat hij moet doen.”
Dat Orthopedie Martens veel meer is dan een bedrijf, blijkt vooral uit de verhalen van klanten. Luc haalt zelf een voorbeeld aan dat hem nog altijd diep raakt: dat van Brandon, een jongen die in een instelling verbleef en die alleen kon kruipen. “Ik zag hem op zijn knieën naar een tafel kruipen en dacht: hier moeten we toch iets kunnen proberen. We hebben aangepaste schoenen gemaakt, en op een bepaald moment stond hij recht en vertrok hij. Dat vergeet ik nooit meer.”
Voor Luc vat dat ene moment perfect samen waarom hij al die jaren is blijven doorgaan. “Voor sommige mensen maken wij echt het verschil tussen kruipen en stappen. Dat is niet overdreven. Dat is gewoon zo. En als je dat mag meemaken, dan geeft dat zoveel voldoening dat je daar energie uit blijft halen.”
Vandaag werkt ook dochter Carolien mee in de zaak. Zij kent de klanten, volgt de dossiers mee op en groeit steeds verder in het bedrijf. Of zij later volledig overneemt, is nog niet zeker, al sluit Luc dat niet uit. “Ze heeft de ambitie zeker, maar er komt veel bij kijken. Je hebt niet alleen de erkenning nodig, je moet het vak ook echt beheersen. Je moet mallen kunnen maken, schoenen kunnen beoordelen, mensen aanvoelen. Dat leer je niet op één dag.”
Luc zelf wordt dit jaar 62 en gaat officieel met pensioen, maar stoppen is nog iets anders. “Dat zeg ik ook altijd tegen mijn klanten: ik ga met pensioen, maar ik heb niet gezegd dat ik stop,” lacht hij. “Zolang ik gezond blijf en het graag doe, wil ik blijven voortdoen. Gezondheid is alles. Als die goed blijft, dan kan ik nog jaren door.”
Het 75-jarig bestaan werd onlangs gevierd met familie en vrienden. Voor Luc was dat niet alleen een feest, maar ook een moment van dankbaarheid. “Vijftig jaar hebben we niet echt kunnen vieren zoals ik wou. Nu voelde het goed om daar even bij stil te staan. Vijfenzeventig jaar, dat is niet vanzelfsprekend. Zeker niet in een tijd waarin zoveel kleine zaken verdwijnen.”
En dus rijst bijna vanzelf de vraag of ook de kaap van 100 jaar haalbaar is. Luc glimlacht. “Natuurlijk hoop ik dat. Niet alleen voor de zaak, maar ook voor het vak. Want wat wij doen, mag niet verloren gaan. Je kunt veel moderniseren, maar uiteindelijk blijft dit iets van handen, ogen, ervaring en hart. En net dat maakt het zo bijzonder.”
Marc Faes