De vieringen rond
200 jaar Zuid-Willemsvaart zitten er nagenoeg op, maar de geschiedenis van de kanalen blijft boeien. Ze reikt bovendien verder terug dan die twee eeuwen. In zijn boek
De kanalen in Bocholt beschrijft
Wim Cuppens hoe Bocholt er
rond 1800 uitzag en hoe Franse kanaalplannen het dorpsleven dreigden te veranderen.
Bocholt was toen een Kempisch dorp, omringd door uitgestrekte heidegebieden en 'waar de tijd al eeuwen stilstond'. Buiten een kiezelweg naar Bree en enkele zandwegen waren er nauwelijks verbindingen met de buurgemeenten. De dorpsgemeenschap bestond uit vijf oude gehuchten: Lozen, Veldhoven, Lechten, Kreyel en Goolder.
Elk gehucht had zijn eigen burgemeester en heidegebied, waar een gemeenschappelijke herder de schapen hoedde en kinderen de koeien lieten grazen.-
Met de komst van de Fransen in 1795 werden eeuwenoude zekerheden overhoopgehaald. Een tiental jaar later volgden plannen voor een voedingskanaal dat van zuidoost naar noordwest door de Bocholter gehuchten zou lopen. Dat dreigde landbouwbedrijven van de dorpskern af te zonderen en tientallen boeren van hun heidegebieden af te snijden.
In Lozen bleef het niet bij plannen. Daar lieten de Fransen over een afstand van vijf kilometer het Grand Canal du Nord graven, door de gemeentelijke heide en dicht bij de grens met Noord-Brabant. Voor de boeren had dat ingrijpende gevolgen: het kanaal scheidde hen van heidegronden die voor hun bestaan van groot economisch belang waren.
Ook de betwistingen met Budel over het gebruik van de gemeenschappelijke heide en de gemeentegrens kregen daardoor een nieuwe dimensie. Het gebied aan de Hoort, waarop de Bocholtenaren aanspraak maakten, werd immers vrijwel onbereikbaar. Zo tekenden de kanalen al vóór de komst van de Zuid-Willemsvaart het leven in Bocholt.
(Bron: De kanalen in Bocholt, Wim Cuppens)