Over drie dagen, op 17 maart, staat heel Ierland op stelten. In Dublin, Cork, Galway, Killarney en Limerick vieren ze dan Saint Patrick’s Day. En als Ieren iets vieren, doen ze dat grondig. Wist je dat er meer Ieren buiten Ierland wonen dan in Ierland zelf? In heel de wereld zitten ze, maar niemand van hen zal zijn / haar roots ooit vergeten. Zo is er een jaarlijkse ‘Parade’ in New York, toegejuicht door tienduizenden enthousiaste toeschouwers.
Hoe ik zo ineens, na meer dan een maand radiostilte over dat groene eiland begin, waar ik zo van hou? Wel, ik heb echt niet de pretentie dat jullie op het puntje van je stoel vergeefs hebben zitten te wachten op mijn volgende stukje, maar ik vroeg me daarstraks in een schaars moment van rust af hoeveel tijd ik van mijn ruim tachtigjarig leven al zou verknoeid hebben met wachten. Wachten op verjaardagen (heel lang geleden ja), wachten op examenuitslagen, wachten voor overdrukke toiletten, op de postbode, op treinen tijdens een staking, op een bus die maar niet kwam ook al was er geen staking en op mijn dokter die even in de deur van zijn praktijkruimte verscheen om mijn naam te roepen. En toen schoot me titel van dat wereldbekende toneelstuk van de Ierse auteur Samuel Beckett te binnen: ‘Wachten op Godot’. Het gaat over het lange, zinloze wachten op iets of iemand die nooit komt.
Dit klinkt allemaal niet zo optimistisch, vinden jullie ook? Wacht maar! Onze taal kent nog een heleboel spreekwoorden en gezegden over de zenuwtergende tijd die wachten heet. ‘Je kunt wachten tot je een ons weegt’ bijvoorbeeld of ‘we wachten de bui maar af’ wat zoveel betekent als ‘er hangt onafwendbaar onheil in de lucht’. En toen ik de vorige weken in een ziekenhuis lag te wachten op het volgende onderzoek, wist ik: ‘Het getij wacht op niemand’, de tijd tikt immers voort, ook al stonden de wijzers van de klok in mijn kamer stil door gebrek aan elektriciteit.
En vanavond, toen ik tussen de onuitgepakte meubelstukken gemaakt wanhopig stond te worden, dacht ik: “Verdomme, ik stuur ook vandaag nog geen stukje in. Ze moeten ook maar eens wachten, die lezers van me!” Had ik dat nog niet vermeld? Ik ben inmiddels ook nog aan het verhuizen.
En daarmee ben ik terug bij het begin. Ik gedraag me alsof er ook maar iemand écht ongedurig zit te wachten op mijn schrijfsels. Daar bedoel ik niks verwijtends mee hoor beste lezer(es). Ik ben al blij als iemand me een waarderend berichtje stuurt of als klanten in De Kroon een stukje dat over hen ging al wekenlang aan de muur laten hangen. Ik ben zielsgelukkig als, zoals onlangs nog gebeurde, iemand een deel van een tekst die ik pas geschreven had vrijwel letterlijk declameerde.
En daarom zal ik ze blijven schrijven, die stukjes. En ik hoop vurig dat er een paar mensen zijn die het wachten toch een beetje de moeite waard vonden.
Chel Driesen