Gisteren zat ik met een beperkt gezelschap in het vliegtuig dat ons na een te korte vakantietrip toch maar weer naar huis ging brengen. We wachtten op onze startbeurt. Opeens realiseerde ik me dat mijn column nog geschreven moest worden. Goed, maar waarover?
“Over het begin van het nieuwe schooljaar?” stelde een goede vriendin voor. Nu heb ik indertijd, 2011 was dat, toen ik mijn stukjes begon te schrijven, mezelf een aantal regels opgelegd. Zo zou ik het niet over mezelf hebben en zo weinig mogelijk actuele thema’s tot onderwerp nemen. Daar heeft immers iedereen het al over en daar dient een column niet voor. Tegen die eerste beperking heb ik inmiddels al vaak gezondigd. Podiumdrang heet zo’n afwijking, geloof ik. Maar aan de tweede heb ik me behoorlijk consequent gehouden. Ik zou dus niet over het nieuwe schooljaar gaan schrijven.
Vóór ons had een koppel plaatsgenomen met een kereltje van een jaar of drie, schat ik. Samen wogen ze ongeveer een halve ton, redelijk evenredig verdeeld onder mekaar. Het ventje bracht met zijn periodiek gekrijs twee uur lang – nee, ik overdrijf niet – het hele passagiersbestand en het cabinepersoneel op de rand van een zenuwinzinking. Zijn papa slaagde er enkel in om hem heel even tot zwijgen te brengen door hem af en toe iets in de mond te stoppen uit een grote plastieken zak die hij zelf en zijn vrouw aan het leegvreten waren. Ja sorry, ik heb er geen ander woord voor.
Ouders en opvoeden, het is een steeds vreemdere combinatie geworden. Niet dan? Het lijkt wel of ze vinden dat ze al genoeg werk geleverd hebben met het maken van kinderen. Het hele opvoedingsproces moeten ze dan maar in de school voor hun rekening nemen. Ik begin met enige nostalgie terug te denken aan de conversatie tussen een moeder en een collega-leraar op een rapportbespreking met de ouders in de beginjaren negentig.
“Werkt hij thuis wel eens voor de school, mevrouw?”
“Maar meneer, die is altijd voor de school bezig. Hij komt thuis en zit meteen op zijn kamer tussen zijn boeken. En TV kijken doet hij ook al niet. Hij weet nauwelijks dat we een TV hebben. Ik ben er zeker van dat hij goede punten haalt hier op school”
“Wel mevrouw, dan moet ik helaas concluderen dat hij dom is.”
En onder het rapport van een leerling uit een andere school heb ik ooit gelezen: “Uw zoon is lui!”
Die leraren zouden tegenwoordig nogal een bolwassing krijgen voor de een of andere tuchtcommissie. En ik geef toe dat het tamelijk cru is. Maar is het niet zo dat allerlei instanties steeds weer benadrukken dat een leerling zich ‘goed moet voelen op school’, terwijl de essentie, het opdoen van kennis en kunde, en het bijbrengen van een minimum aan discipline, een punt van tweede orde wordt?
Zuchtend overeind komend van zijn stoel in de leraarskamer zei hij het wel eens voor de grap, die andere collega, als de schoolbel rinkelde voor het volgende lesuur: “Hèhè, weer maar eens een vol uur het nutteloze paren aan het onaangename”.
Is het dan niet belangrijk dat ook leerkrachten zich ‘goed voelen op school’?
Chel Driesen