Daar zit je dan, moeder. Het is half één ’s nachts, je had eigenlijk al lang in je bed willen liggen, of desnoods met een glas wijn, kaasblokje en film op de bank willen belanden. Maar ondanks een heerlijke vrije avond, heb je jezelf als wakkere en onbeschonken vrijwilliger aangeboden. Je zoon gaat op stap. Tot twaalf uur. Maar om half twaalf stuurt hij een berichtje, “Aaaah mam, mag het een uurtje later. Het is hier ZO gezellig! ” Nou, vooruit dan. “Maar dan ook geen minuut later,” stuur ik terug in een poging toch nog enig ouderlijk gezag uit te stralen. Vervolgens hoor ik niets en lijkt het berichtje ongelezen. Geen blauwe vinkjes, laatst bekeken om 23.34.
Het is drie na half één. Je hoopt maar dat ie geen rare fratsen uitsteekt. Dat ie niet doet wat jij deed toen jij zestien was. Want toen waren er nog niet overal camera’s. Als je nu die apenstreken zou uitvreten, word je gegarandeerd aan de digitale schandpaal genageld. Laatst moest ik uitleggen wat ‘skinny dippen’ was. Met je blote kont in de vijver springen, liefst ’s nachts. Hij keek me meewarig aan. “Duh, no way!” Als ik zestien was in 2025 had ik dat waarschijnlijk ook niet gedurfd. Voor je “Kawabonga” kan roepen ga je in je pure de wereld rond.
Kwart voor één, tijd om hem op te pikken. Als ik de zompige parkeerweide oprijd, zie ik hem al staan. Grote kerel, hoodie, handen in z’n zakken. Achter hem zie ik precies dezelfde zweterige tent, de giechelende meiden in veel te blote topjes voor de tijd van het jaar, de opgeschoten pubers met hetzelfde bekertje lauw bier rond zwabberen en meer dronken doen dan ze werkelijk zijn. Niks is veranderd. Een bescheiden walmpje van een paar pilsjes waait door het portier van de auto. “Ik sta hier al een uur. Ik dacht niet dat ‘t mocht en toen ging m’n telefoon dood.”
Wij hadden in elk geval nog een telefooncel en met een beetje geluk nog twintig frank om naar huis te bellen. Wij kenden het nummer uit ons hoofd. Niet dat dat nodig was, want twaalf uur was twaalf uur, en geen minuut later. En als we iets mispeuterden, was er niemand die het zag, op een gluurderige buurvrouw na misschien. Niemand die je in de gaten hield, niemand die je jeugdzondes nadroeg met beeldend bewijsmateriaal. Big Brother was nog een fictief personage uit een dystopische roman. Lang geleden, toen skinny dippen nog kon en telefoons nog niet doodgingen.
God, wat ben ik blij dat ik geen zestien ben in 2025.
Claudia Nieuwenhuizen