De laatste dagen was er nogal wat te doen over het dialectgebruik in de openbare media. Zo ontstond er in onze kranten paginalange commotie over het Antwerps en West-Vlaams dat ontstellend vanzelfsprekend gebruikt werd in het TV-programma ‘De Slimste Mens’.
Nu ben ik een vurige verdediger van het voortbestaan van de dialecten. Zij vormen de oertaal en zijn ongetwijfeld nog steeds de onuitputtelijke voedingsbron waaruit onze algemene taal ontstond en nog steeds ontstaat. Ik ben zelfs van mening dat we zonder onze beeldenrijke gewesttalen uiteindelijk onvermijdelijk zullen verengelsen.
Laten we wel wezen, het gebruik van AN is in veel omstandigheden absoluut noodzakelijk. Daarom is het ook belangrijk dat we het Algemeen Nederlands cultiveren, verzorgen en uniform houden. Hoe zouden we met mekaar zaken kunnen blijven doen en cultuur uitwisselen als we elkaar niet verstonden? Overdrijf ik, denk je? Twee voorbeelden. Eén uit de omgeving van Bree, een andere uit Lommel. Mijn excuses daarbij voor de stuntelige en tot mislukken gedoemde poging om het fonetisch uit te schrijven.
Ich zal is mèt m’n vaarsjowen tigge dèë klinkpoal sjópen. (Bree)
We hawwe wawwe wowwen. (Lommel)
Al klaar met ontcijferen? Hier komen de oplossingen: “Ik zal eens met mijn hoge schoenen tegen die telefoonpaal schoppen.” En: “We hadden wat we wilden”.
En dan waag ik me niet eens aan pogingen om ‘muggengeheugen” of “handgesneden gandaham” naar het West-Vlaams te transponeren.
Van Antwerpenaars begrijp ik hun dialectobsessie nog enigszins. Zij zijn er immers van overtuigd dat Antwerps de algemene taal is die maar overal begrepen en gesproken hoort te worden. Een onmiskenbare vorm van dikkenekkerij zit gewoon in hun genen. Of zijn we vergeten dat Bredero zo’n vier eeuwen geleden al onnavolgbaar de draak met hen stak in de ‘Spaanschen Brabander’. En ik herinner me hoe een prof Nederlands van wie ik les kreeg een student die oprecht vond dat Antwerps toch het mooiste dialect van de Nederlanden was, met de grond gelijk maakte.
“Toen in de twaalfde eeuw Hendrik van Veldeke in Limburg al bezig was met literatuur”, zei hij, “liepen ze in de Antwerpse polders nog met riet rond hun buik naar de otters te vangen”. Grappig toch?
“Boe geg’et toch hennen?” hoor ik mijn moeder nog zuchten als ze zeventig jaar geleden in de krant een bericht las over jongeren die zotte dingen uitspookten. Ja, toen ook al!
Toen ik jaren later op een studiereis naar Engeland eens van een hoteltoilet gebruik maakte in Londen, las ik op het slotje van de deur ‘EN.GAGED’. Tussen die ‘en’ en ‘gaged’ zat de kop van een nageltje. Ik was er helemaal de kluts van kwijt. Het leek wel Lils. “En? Geg’et?” verstond ik. ‘Wat een bezorgde mensen, die Engelsen’ vond ik toen.
Nog maar goed dat de vervoeging van het werkwoord ‘gaan’ in het AN heel wat simpeler is dan in het Lils. Stel je voor zeg!
GAAN: ich goi, gè go’t, hij/zij/het git (maar als het vragend is: geg’et), wèllie go’n, gèllie go’t, zèllie go’n.
Ich hoop de’t öllie goed git!
Chel Driesen