We zijn met 17000 of misschien zelfs meer. Ik ben deel van het geheel. Ik ben een klein atoom in dit organisme en werk mee aan deze gigantische verplaatsing, een volstrekt nutteloos transport van om en bij 1500 ton levend menselijk vlees over een afstand van 21,1 km. Gelukkig zijn we niet op weg naar de slachtbank, ook al is de kans vrij groot dat dit gevoel onderweg wel komt opborrelen.
Ze hebben ons zo ver gekregen, dat we met zijn allen hetzelfde willen en doen. We staan en wachten zo dicht bij elkaar dat het in elke andere context ongemakkelijk zou zijn. Big Brother heeft er de hand in. Menig dictator staat hier jaloers naar te staren. Alle neuzen staan in exact dezelfde richting. Deze massa is er klaar voor!
Sommigen tanken wat energie, die ze uit een klein zakje recht hun strot in persen. Anderen drinken nog een laatste slok uit een plastiek flesje, dat dadelijk het lot van duizenden voetstappen zal ondergaan. Hier en daar smijt nog iemand een trui naar de kant. En langzaam zet de menigte zich in beweging.
Als één gigantisch reuzenlijf wurmt de mensenslang zich naar voor tot aan de flessenhals, die dienstdoet als mensenkanon. Hier worden we één voor één uitgespuwd om op eigen kracht verder te lopen en over een uur of twee of drie een paar honderd meter hiervandaan weer uit te komen. En dat allemaal voor een gratis (nou ja) banaan. De halve marathon van Eindhoven.
Onderweg worden we toegejuicht door nog meer mensen. Terwijl de lopers zwetend en puffend door de straten trekken, is het feest in de stad. Fanfares, dj’s, drumbands, mobiele tapkranen… Ze maken er werk van, die rare Hollanders. Daarnet voelde ik me nog een minuscuul miertje, nu ben ik een held. Dankzij mijn naamkaartje kent iedereen me en roept mijn naam al dan niet in verbasterde vorm en aangevuld met een aanmoediging: “Komaan Jantje, gaat lekker”; “Janus, blijven gaan”.
Soms ook een sadistische ondertoon: “Je bent er bijna”. Niet dus.
Naar het einde toe wordt het helemaal te gek. In de laatste drie kilometer staat het volk rijen dik. Er is geen doorkomen aan. Alleen in het midden is een doorgang gelaten voor ons, kampioenen. We lopen in de smalle café- en winkelstraatjes door een walm van bier, sigaretten en wiet. Ik scheer rakelings langs het publiek af en voel me als Wout van Aert, maar dan zonder fiets en zonder winstambities. Om de een of andere reden versnel ik alsof ik word opgetild door een onzichtbare hand.
We lopen nog even door het stadion van PSV, waar we worden aangegaapt als mannequins in een modeshow. Wat een tocht was dit: begonnen als een mier, dan held geworden, vervolgens Wout Van Aert en nu Lionel Messi. Tijd om terug gewoon als Jan te landen achter de finish-lijn, met een bekertje water in de ene en een banaan in de andere hand.
En in het hoofd de troost dat het nog erger kan: marathonlopers zijn nu nog maar in de helft.
Jan Verheyen