Het spijt me, beste lezer, dat ik u de afgelopen twee weken in de steek gelaten heb. Dat was niet omdat ik vakantie nam. Nee, ik moet bekennen dat ik de woorden even niet meer vond.
Wat ik wel dagelijks vind, is een overstroming van absurditeiten, die omgekeerd evenredig is met de droogte van de zomer. In deze tsunami van vreemde gebeurtenissen, gedragingen, reacties is het voor een columnist met als thema ‘raar’ niet vanzelfsprekend om iets zinnigs op papier te krijgen. De rariteiten-overkill doet me met de mond vol tanden aan de zijlijn staan toekijken. Ik weet het even niet meer en ik snap er nog veel minder van.
Half Europa is in de vlammen opgegaan. Klimaatverandering laat zich op allerlei manieren voelen, maar beleidsmensen lossen het op met een pintje en een barbecue aan het zwembad of gaan in Japan in een tempeltje offers brengen om weergoden gunstig te stemmen. Of er wordt beweerd dat het kalf al verdronken is; dat blijk zelfs in uitgedroogde rivieren mogelijk te zijn! In de strijd tegen het opwarmen moeten we het mediterrane klimaat maar omarmen. Het is zelfs de schuld van de klimaatalarmisten, waardoor we ons te laat zijn gaan aanpassen en dus tijd verloren hebben, volgens de klimaatontkenners. Zo kan je natuurlijk met alles wegkomen en hoef je niet naar jezelf te kijken.
Ondertussen loopt er in Amerika nog steeds een Pumrt rond. Hij murmelt dat hij de baas van de wereld is; eigenlijk ook beter paus was geworden; de voetbalregels wilt herschrijven. Hij laat de Navo-bondgenoten een enquête invullen waarin hij alvast de juiste antwoorden heeft aangeduid. Een land dat hem niet zint, zal hij platgooien en grond- en zeegebied kan innemen als hij daar zin in heeft…
En dan heb je ook nog een aantal mensen in Israël, die zonder blikken of blozen hun tegenstanders alle menselijkheid ontzeggen en vinden dat ze hen daarom zomaar mogen neerknallen. Ze zien het zelfs als hun plicht om dat te doen, elke dag opnieuw. Ze vermelden er nog fijntjes een quotum bij: veertig per dag. Wie kan dat begrijpen? Dit zijn nazaten waarvan de voorouders zelf ooit als ongedierte werden uitgeroeid.
En dan, tot slot nog dit: ik heb op vakantie in de Alpen een rare ontdekking gedaan. Tijdens een mooie wandeling naar de top van een berg, vond ik op mijn pad op een hoogte van 2647 meter een sigarettenpeuk. Hoe kan je in dit decor met deze natuurzuivere berglucht op deze plek zin krijgen in nicotine en teer? En waarom moet het niet-opgebrande uiteinde van deze dubieuze genotstok hier op de grond belanden? De peuk kan hier op zijn laatste rustplaats nog tien tot vijftien jaar van een fantastisch uitzicht genieten. Waarvoor dank!
Ik ben ondertussen al een aantal lentes jong en heb dus heel wat zomers meegemaakt, maar geen een was zo raar als deze.
Jan Verheyen