Als je van bij ons naar het groenste eiland van de wereld, ik bedoel Ierland natuurlijk, op vakantie wil, zijn er verscheidene mogelijkheden om er te geraken. Je kunt ervoor kiezen om je eigen auto mee te nemen. Dan moet je wel eerst dwars door het United Kingdom en daar ergens aan de westkust van Wales (Fishguard) de ferry nemen. Het kan ook rechtstreeks maar dan moet je eerst naar Duinkerken, Cherbourg of Roscoff in Frankrijk en de veerboot doet er tussen de 14 en de 24 uur over. Je vergeet ook best niet dat ze links rijden ginds en dat het stuurwiel van je Belgische auto ineens aan de verkeerde kant staat. Bovendien kom je aan de Ierse oostkust terug aan land, terwijl de westkust veruit de mooiste is. Nog eens vier uur rijden dus.
Vliegen dan maar? Van Brussel of Charleroi brengt Ryanair je in minder dan twee uur naar Dublin of Cork. Wat cultuur en het uitgangsleven betreft is Dublin een fascinerende maar hectische stad (een kleine 600.000 inwoners) en een ideale bestemming voor een weekendtrip. Vanaf Cork is het meest spectaculaire deel van de Wild Atkantic Road aan de westkust nog 130 km met je huurauto.
Maar er is een andere een optie: je rijdt naar Frankfurt-Hahn. Nee, niet de grootstad Frankfurt maar een klein plaatsje bij Lautzenhausen aan de Moezel. Ongeveer 280 km autostrade. Van daar uit vlieg je in goed twee uur naar Kerry, vlakbij de beroemde Wild Atlantic. En daar kozen wij dus ook nu weer voor.
Zeg nu zelf, welke autorit kan er aangenamer zijn dan een ontspannend traject over filevrije Duitse autowegen op weg naar je vakantie. Trouwens het laatste deel, langs de Moezel mag er wat het landschap aangaat best zijn. Duitsland is een heel mooi land. En je merkt aan alles de perfecte organisatiegeest van onze oosterburen. Ze hebben echt wel optimaal gebruik gemaakt van de kansen die het Marshallplan na de oorlog bood. Restaurants en hotelkamers zijn er netjes.
Daar reden we dan, fluitend en zingend! Tot iemand van ons een toilet nodig had. Moet je eens proberen naast een Autobahn: een aangegeven toilet vinden dat 1. open is, 2. waar je niet struikelt over de rotzooi en 3. dat als je die vervloekte deur eindelijk open hebt, je niet doet kokhalzen – sorry – van de smeerlapperij. Vier keer zijn we, telkens iets minder hoopvol, gestopt. Vier keer bot gevangen. Met een rol WC-papier een stukje bos in getrokken dan maar. Niet meer zingend en fluitend.
Neen, dan Ierland maar. Het kleinste dorpje heeft er een goed aangegeven publiek toilet. En het is er gratis en kraaknet. De dorpelingen houden het schoon. Op de ‘damesafdeling’ is er zelfs alles beschikbaar wat ze nodig kunnen hebben. ‘Take what and when you need it’ staat erbij.
Of hoe een land dat vaak als een voorbeeld beschouwd wordt van hoe het allemaal moet in Europa, wel wat elementaire dingen kan leren van die terecht trotse vijf miljoen Ieren.
Chel Driesen