Zonnebril op, muziek aan, raampje open… Ik vertrek met goeie goesting naar mijn werk. Het ruikt al een beetje naar vakantie. Dat zie je ook aan de mensen op staat. Ze lopen niet, ze flaneren. Iedereen lijkt meteen een stuk knapper met een straaltje zonlicht. Ik rijd rustig door de drukke Heerstraat. Een Porsche met witte achteruitrijlichten geeft aan dat hij graag de weg op wil. Ik flits even met mijn lichten en geef hem ruimbaan. Tergend traag manoeuvreert de bestuurder zijn sportbak achteruit. Zou zo’n Panamera misschien alleen hard vóóruit kunnen, vraag ik me af. Als hij zich uiteindelijk met de souplesse van een hoogbejaard nijlpaard in het verkeer heeft gewurmd, scheurt hij er plots als een jonge gazelle vandoor.
Met piepende banden laat hij mij achter in een wolk van diesel en verbrand rubber. “Vast iets te compenseren,” denk ik luidop. Geen handje omhoog? Nou, graag gedaan, eikel!
Even verder stop ik keurig voor een voetganger. Een nette veertiger, type leerkracht wiskunde, steekt haastig schuin de weg over. Hij kijkt me recht aan. Geen vriendelijk knikje, geen glimlach. Natuurlijk, hij heeft het volste recht om over te steken en ik ben verplicht om te stoppen, maar even een blijk van erkenning dat ik hem op tijd heb gezien en niet levenslang in een rolstoel heb gezet, dat màg.
Elke maandagochtend sta ik in zo’n fluovest en met zo’n stopbordje bij het zebrapad om kinderen veilig naar school te helpen. Ze zeggen allemaal, zonder uitzondering, goedemorgen en dankuwel. De gestopte automobilisten bedank ik dan weer met een duimpje of een knik, ook al weet ik dat ze me misschien wel een ernstige geval van spetterpoep toewensen omdat ik hun overvolle schema met zeker vijfentwintig seconden laat uitlopen. Sorry. En bedankt voor uw geduld.
Mijn humeur is al wat minder zonnig. Een vrachtwagen wil invoegen. Ik geef hem voorrang en moet daarvoor flink terugschakelen. Als het een aardige trucker betreft, pinkert hij even links-recht-links. Een mooie code om te laten weten dat het gewaardeerd wordt. Deze niet. Zak.
Het voetje dat een motorrijder even uitsteekt als je hem wat extra ruimte geeft, een vriendelijke wijsvinger als er een parkeerplaats vrijkomt, een minuscuul hoofdknikje…zo moeilijk is dat toch niet? Verplicht is dat niet nee, maar wel aardig. Minstens beleefd. Verkeer is toch geen strijdperk?
Verkeer is zoals verkering. Een beetje geven en nemen, veel geduld, je af en toe kapot ergeren en soms eens botsen, in het beste geval met alleen maar wat blikschade.
Ondertussen is mijn serotonine-gehalte aardig gekelderd. Dag gelukshormoon. Mijn zonnebril ligt op de stoel naast me, op de radio gaat het alleen maar over bullebakken en misdadigers die overal mee wegkomen, alle stoplichten hebben afgesproken om net op rood te springen als ik eraan kom. En de dag begon nog wel zo veelbelovend.
Wat zei Bredero ook alweer? Oh ja, “Het kan verkeren.”
Claudia Nieuwenhuizen