Zoals in mijn
artikel over de Corbiestraat
al verteld, verleende Lodewijk II, graaf van Loon, in 1211 - meer dan
vierhonderd jaar na de overdracht van het allodium aan de abdij van
Corbie - de Luikse vrijheid aan de inwoners van Beringen. Zeer
waarschijnlijk gebeurde dit zonder overleg met de abt van Corbie. Later
werd de scheve situatie rechtgezet en graaf Arnold IV van Loon
bekrachtigde in 1239 de stadsrechten van Beringen, met de uitdrukkelijke
toestemming van de abt van Corbie.Kort nadat Beringen van de graaf van Loon zijn vrijheidsbrief had verkregen, werd
de stad omwald.
Immers, Beringen was een van de ‘Goede Steden’ van het graafschap Loon, dat in 1366 geannexeerd werd door het prinsbisdom Luik.
Een ‘Goede Stad’ betekende dat de landsheer (de graaf van Loon en later de prins-bisschop van Luik) een aantal belangrijke stadsrechten en privileges kreeg. Het was dus een officieel erkende en bevoorrechte stad. Beringen kreeg het recht om zichzelf gedeeltelijk te besturen, met eigen schepenen en een rechtbank.
De stad werd omgeven door wallen, grachten en poorten om haar inwoners en handel te beschermen. Men mocht markten organiseren, hetgeen de handel en economische groei stimuleerde. De stad was ook een belangrijk administratief en gerechtelijk centrum binnen het graafschap Loon en later het prinsbisdom Luik. Ze had inspraak in het bestuur van het gebied en vertegenwoordigde de belangen van haar inwoners tegenover de landsheer.
In de middeleeuwen was dit echt wel van belang want er waren maar weinig plaatsen die deze status kregen. Een ‘Goede Stad’ had meer rechten, trok meer handelaars aan en speelde een grotere rol in het bestuur en de economie van de regio.
En zo behoorde Beringen dus tot de 23 ‘Goede Steden’ van het Prinsbisdom Luik, een groep steden die bijzondere rechten en een officiële bestuurlijke functie hadden.
Daardoor was Beringen veel meer dan een gewoon dorp: het was een erkend stedelijk centrum met economische, juridische en politieke betekenis. Bovendien werd van de ‘Goede Steden’ verwacht dat zij hielpen bij het beschermen van de grenzen van het graafschap Loon.
Een verwijzing naar die ‘Goede Stad’ is het perroen (of perron) waarvan men vrij recent opnieuw een soort kopie op de markt plaatste. Indertijd bezat elke ‘Goede Stad’ van het prinsbisdom Luik dergelijk perroen dat vrij centraal in de stad geplaatst werd. Het was een stenen zuil met bovenop een pijnappel en kruis en stond symbool voor de vrijheid van de steden in het prinsbisdom. In Beringen stond dit perroen naast het toenmalige kerkhof. De officiële mededelingen werd ook daar gedaan.
De stadsversterking zelf bestond uit aarden wallen en met water gevulde grachten. Drie poorten verleenden toegang tot het stadscentrum: de Hasseltse poort, Koerselse poort en Diestse poort. De Hasseltse poort werd ook wel Verloren toren genoemd. De Koerselse poort was ook gekend als de Kempische poort. Bij de Diestse poort, binnen de wallen, lagen de poel en de bleekweide.
De stadswal van de ‘Goede Stad’ Beringen liep – in wijzerzin – via de volgende huidige straten: we beginnen natuurlijk aan de Stadswal, via de Burgemeester Geyskensstraat, halverwege die straat wordt er doorgestoken naar het punt waar de Blijkstraat en August Cuppensstraat samenkomen. Van daaruit wordt de August Cuppensstraat gevolgd, de Violetstraat en de Graaf van Loonstraat. Hier gaat het over in de Harmoniestraat en de stadswal draaide indertijd mee waar zich nu de Pieter Bruegelstraat bevindt. We volgen verder de Salviastraat en Torenveldstraat om de cirkel rond te krijgen en opnieuw aan te sluiten op de Stadswal. De omtrek van de stadswal bedroeg iets meer dan 1km.
Alles wat binnen die wallen, ook wel stadsvesten genoemd, lag, was de Binning, een ‘Vrijheid’.
Daar was het Luiks recht van toepassing.
Buiten de vesten lagen de Buitingen, de latere gemeente Paal en het noordelijk deel van Heusden. Voor hen gold het Loons recht.
Die stadswal werd dus kort na het verkrijgen van de stadsrechten in de 13de eeuw opgebouwd. In tegenstelling tot grotere Vlaamse steden zoals Brugge of Leuven had Beringen geen indrukwekkende, volledig stenen vestingmuur met tientallen torens. De verdedigingswerken waren eenvoudiger maar pasten goed bij de omvang en het belang van de stad. Ze bestond uit verschillende onderdelen: een brede gracht werd uitgegraven aan de buitenkant van die aarden wal die gebouwd werd met de uit de gracht opgeworpen grond. De gracht werd gevuld met water uit de nabij gelegen Zwarte Beek. Bovenop de wal stond waarschijnlijk een houten palissade die later op sommige plaatsen (in de buurt van de poorten) misschien vervangen of versterkt werd door stenen muren. Het opzoekingswerk dat voorhanden is, vermeldt dat de grachten waarschijnlijk een tiental meter breed waren en tot 3 meter diep. De wallen zelf zouden aan de basis een tiental meter breed geweest zijn en tot 4 meter hoog.
Zoals eerder al vermeld, werden er drie stadspoorten voorzien, waar de belangrijkste toegangswegen de stad binnenkwamen. Samen met de natuurlijke moerassige omgeving vormden de grachten en wallen een extra hindernis.
En toch werd de stad in de 15de, 16de en 17de eeuw meermaals overvallen en geplunderd vanwege haar strategische ligging op belangrijke handelswegen.
Dat was bijvoorbeeld het geval in 1584, ten tijde van de 80-jarige oorlog: de hele stad werd platgebrand, inclusief het stadhuis en de kerk. Uit de beschikbare bronnen valt niet te achterhalen wie die vernielingen aanbracht… De stad werd heropgebouwd maar in 1654 opnieuw grondig verwoest, ditmaal door de troepen van Karel van Lorreinen. Deze slag kwam Beringen daarna nooit meer echt te boven.
Later, in 1739, verbleef Voltaire - Frans schrijver, filosoof en prominente voortrekker van de Franse Verlichting - in de voormalige herberg ‘De Gouden Sleutel’ op de Markt. In een brief schreef hij dat hij in Beringen ‘in het diepste diep van het barbarendom’ zat en dat er wel roversbenden gesignaleerd werden maar dat er hier toch niets te stelen was.
In 1826 begon men met het opvullen van de middeleeuwse grachten rond Beringen en het slopen van de aarden wallen.
Als laatste verdween de Hasseltse Poort, in 1883. Het laatste – noordelijke – deel van de grachten werd gedempt tussen 1904 en 1939.
De vrijgekomen terreinen van de vroegere stadsversterkingen werden na het dempen van de stadsgracht openbaar verkocht en grotendeels in tuinen herschapen.
(Danny Boelanders - foto Gust Ischen - Bronnen: Kiosk (het tijdschrift van de heemkundige kring van Beringen), de website van de stad Beringen en het ‘Verslag Archeologische Prospectie Beringen - Rozenlaan’ van Rik van de Konijnenburg (2013).